Búúffieeee!

De paardenstaart van de achterbuurvrouw zwiept enthousiast op en neer als ze de gezamenlijke achtertuin in draaft. Haar trainingsbroek is van haar heupen gezakt en geeft me letterlijk inzicht in haar leven. Te veel inzicht. Een navelshirtje en een wokkel in haar haren hadden het af kunnen maken. Dit is er namelijk één. Een voormalig gabber die de duistere houseparty’s afstruinde – het liefst met halfgeschoren haren – om er de volgende dag niets meer van te weten, wat soms ook maar beter is.

Ik heb een bijzondere verstandhouding met mijn achterbuurvrouw. Binnen twee weken veranderde ik van het keurige ‘buurvrouw’ in ‘buuf’, om nu door het leven te gaan als ‘buuffie’. Het voelt een beetje als een relatie die te snel van start is gegaan. Het daten hebben we overgeslagen en het koosnaampje is bepaald. En daar moet je het dan mee doen.

Sinds enkele weken staat er een grote partytent in de tuin, waar het altijd druk is. Niet zozeer met veel mensen, maar met drukke mensen. Dat had ik na onze eerste ontmoeting al kunnen weten; toen mijn buuf in het onvervalst Amsterdams haar levensverhaal vertelde terwijl haar zoontje op een crossfiets luid schreeuwend om ons heen scheurde. “Dat is trouwens mijn zoon. Hij heeft ADHD”, zei ze snel. Dat verklaart een hoop.

In een tempo waar ik niets meer dan respect voor kan opbrengen vervolgde ze haar verhaal. “We wonen hier dus al ons hele leven. Ik hier om de hoek en mijn man een stukje verder. Nou. En op een dag wilde hij met me daten. En wat denk je?”, vroeg ze me. Ik kreeg geen tijd om te antwoorden en probeerde al multitaskend het plat Amsterdams te ontcijferen. “Komtie niet opdagen. Nou. Toen ging ik dus maar dansen. En wat denk je?” Ik zweeg. Dat leek me beter. “Breekt mijn hak af!”

Net toen ik me afvroeg waar het verhaal heen ging, ratelde ze dwars door mijn hersenspinsels. “Nou. Toen heb ik maar gebeld dat het zijn schuld was en dat hij me moest komen halen. Dat heb ik geweten, want hij is nooit meer weggegaan. Dat durfde hij niet meer.” Met een grote grijns keek ze me aan: “En jij?” Toen ik geen onvervalst liefdesepos kon overleggen, haalde ze haar schouders op. “Oh. Nou. Dat kan natuurlijk ook.” En weg draafde ze.

En vanaf dat moment word ik elke keer onrustig als ik de tuin in loop en heel hard mijn koosnaampje door de buurt hoor schallen: “Búúffieeee!” Ooit zal ze weer naar mijn verhalen vissen. Misschien moet ik die maar eens gaan verzamelen.

Advertenties

Een gedachte over “Búúffieeee!”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s